De volkskrant: Niks-mis-mee-vis

Panga is een razend populair visje in Nederland. Hoe kan dat? De pangasius is toch die ongezonde poepvis, de plofkip onder de vissen? Mac van Dinther zocht het uit.

Het moet wel de sereenste vorm van intensieve veehouderij zijn die er bestaat. Op dit stuk land van 20 hectare aan de boorden van de Mekong leven een slordige zes miljoen dieren. Maar je hoort ze niet, je ziet ze niet en je ruikt ze … nou ja, nauwelijks.

Geen wonder, want ze leven onder het rimpelloze oppervlak van dertien kweekvijvers die zijn uitgegraven in keurige rechthoeken. Het zijn pangasiussen, de populairste kweekvis van Vietnam.

Pas als mannen in oranje hesjes met een vlot de vijver opgaan om te voeren, wordt de waterspiegel verbroken door een spartelende massa vissen, happend naar de voerkorrels. Het zijn jonkies, zegt onze begeleidster. Ze moeten nog een maand of zes voordat ze groot genoeg zijn om op te eten.

Denkend aan Holland zie ik een natie van zeebonken: stoere vissers met gouden oorringen die het ruime sop kiezen om terug te komen met het beste dat de Noordzee te bieden heeft: fluweelzachte schol, lelieblanke kabeljauw, sappige schar, tong en wijting.

Maar de vis die in Nederland het meest op tafel staat, zwemt niet in de koude Noordzee, die komt van verder weg, namelijk uit een warme vijver in Vietnam. Het zat er al een tijdje aan te komen en in 2011 was het zover: pangasius, kortweg panga, is de meest gegeten vis in Nederland, vóór (kweek)zalm, kabeljauw en haring. Daar heeft de panga, die vanuit het niets hierheen kwam, precies tien jaar over gedaan.

Dat is om meerdere redenen opmerkelijk. Ten eerste omdat er in al die tijd geen cent aan marketing is uitgegeven voor panga. Ten tweede is er geen vis waarover publicitair zo veel vuil is uitgestort als over panga. Moddervis, strontvis, prutvis. Alles is de panga toegeworpen. Maar de Vietnamese vis, hij zwemt dapper door. Wat de vraag oproept: wat is het geheim van panga?

Om een antwoord daarop te krijgen, moeten we naar de bron en die is in Vietnam. Op een snikhete ochtend zet een busje ons af bij de Vinh Hoan Corporation in Cao Lanh, een provinciestad in de Mekongdelta, 150 kilometer oostelijk van Ho Chi Minh stad.

‘Ons’ dat is een groepje journalisten uit Nederland, België, Duitsland en Engeland die in Vietnam zijn op uitnodiging van de Aquaculture Stewardship Council (ASC), een non-profitorganisatie die zich inzet voor duurzame viskweek.

We worden ontvangen door vicedirecteur Nguyen Ngo Vi Tam, een jonge Vietnamese met een dikke bril, sluik zwart haar en gekleed in skinny jeans – Vinh Hoan wordt geleid door vrouwen. In een boot neemt ze ons mee naar de overkant van de breed uitwaaierende Mekong waar een viskwekerij is aangelegd die voldoet aan de ASC-criteria: aangeharkte vijvers, bezinkbassins voor het afvalwater, nette loodsen voor opslag van het visvoer.

Speciaal voor de fotograaf worden de vissen gevoerd. Ondertussen vertelt Tam dat de vijvers 4 meter diep zijn en dat per vierkante meter water veertig vissen zwemmen, twintig minder dan gewoon is. De vissenpoep wordt opgevangen en als mest verkocht aan lokale boeren, gebruik van pesticiden en antibiotica is gereguleerd.

Na negen maanden, als de vissen ongeveer een kilo wegen, worden ze overgeschept in schepen met water in het ruim en levend naar de fabriek vervoerd. Daar staat een peloton van duizend jonge mannen en vrouwen in een gigantische fabriekshal klaar om de panga’s te verwerken tot hapklare diepvriesfilets voor de export.

Jongens in groene pakken maken de vis dood en snijden de filets van het karkas. Vrouwen in wit doen het fijnere werk: fileren, ontgraten en bijsnijden. Voordat de vissen de vriezer in gaan, worden ze gewenteld in water met citroenzuur. Daarbij nemen ze 10 procent extra vocht op en blijven ze straks sappiger in de pan, zegt Harry Hoogendoorn van de Nederlandse importeur Queens, die ook mee is. Dat mag en het staat op de verpakking.

Het is een gesmeerde operatie aan lopende banden waar nauwelijks wordt gesproken. Praten schijnt niet echt verboden te zijn, maar aangemoedigd wordt het ook niet. De vrouwen maken achturige werkdagen en verdienen volgens Tam 200 dollar per maand. Als dat waar is, dan is dat te vergelijken met het salaris van een leraar of lagere ambtenaar. Ze kunnen er in elk geval een scooter van betalen blijkt buiten, waar een vloot gemotoriseerde tweewielers staat te glimmen.

Het ziet er al bij al heel anders uit dan de beelden die critici schilderen van panga: een vis die wordt gekweekt in de meest vervuilde rivier ter wereld, waar hij rondzwemt in zijn eigen poep, wordt volgestopt met antibiotica en tot filets wordt verwerkt door meisjes die tegen een hongerloon slavenarbeid verrichten.

Om te beginnen: dat beeld was zwaar overtrokken, zeggen betrokkenen. Niet alleen in Vietnam, maar ook aan onze eigen Wageningen Universiteit. Simon Bush, universitair hoofddocent met als specialisatie milieubeleid, aquacultuur en visserij, volgt de pangakweek al jaren.

Het is heus niet allemaal rozengeur en maneschijn, benadrukt hij. Panga is een jonge bedrijfstak die in tien jaar tijd stormachtig is gegroeid. Ook het Wereld Natuur Fonds had kritiek op de verontreiniging van de rivier door pangapoep.

Maar je kunt het ook overdrijven en dat gebeurt volgens Bush volop. Zo is de Mekong schoon in vergelijking met de meeste Europese rivieren, wordt antibioticagebruik steeds meer aan banden gelegd en valt de vervuiling door panga reuze mee. Het draagt minder dan 1 procent bij aan de totale vervuiling van de Mekong.

Volgens Bush is panga slachtoffer van een lastercampagne. Dit stelt hij in het mede door hem geschreven wetenschappelijk artikel Whitefish wars (2011). Het begon in de Verenigde Staten waar de Vietnamezen tien jaar geleden op massieve tegenstand stuitten van de nationale catfish-(meerval)industrie die door panga – een vergelijkbare vis, maar veel goedkoper – van de markt werd gedrukt.

Ook in Europa kwam felle kritiek. In Frankrijk en Duitsland werden kritische documentaires uitgezonden over schimmige kweekvijvers, gesjoemel met antibiotica en vissen die in rieten manden achter op de brommer naar de fabriek worden gebracht.

Beelden die volgens betrokkenen in Vietnam gechargeerd en op het moment van uitzending al achterhaald waren, maar op internet eindeloos worden aangehaald. Zo duikt steeds het verhaal op dat panga wordt behandeld met een hormoon dat wordt gewonnen uit de urine van zwangere vrouwen. Daarbij gaat het om hCG, een middel dat wereldwijd in viskwekerijen wordt gebruikt om kuit schieten te bevorderen, ook in Nederland.

Want ook dat valt op: veel van de kritiek op panga is gebaseerd op informatie uit de tweede hand. Echt bont maakte Struan Stevenson het. De Schotse Europarlementariër en vicepresident van de EU-commissie voor visserij hekelde in het Europees parlement de panga als de ‘minst duurzame vis die er bestaat’. Woorden die hij na een bezoek aan Vietnam in 2011 publiekelijk terugnam.

Een voorname bron van kritiek in Nederland is IJsbrand Velzeboer, voedingsmiddelentechnoloog met kantoor aan huis in Raalte. Hij kwam de panga op het spoor toen een bevriende visser hem zei dat ze last hadden ‘van die importzooi’. Velzeboer ging twee keer op eigen initiatief naar Vietnam. In 2009 op doorreis naar Bali en in 2010 nog eens. Daarbij nam hij in zijn koffer potjes en petflessen water- en grondmonsters mee.

Terug in Europa liet Velzeboer die monsters en hier gekochte pangafilets analyseren en vond daarbij sporen van onder andere pesticiden. Te weinig om gevaar op te leveren, aldus de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Maar dat weerhield Velzeboer er niet van om in het tv-programma Kassa (december 2010) en op internet vol in de aanval te gaan tegen de ‘Aziatische prutvis’. Een aanval die niet was gespeend van eigenbelang, want Velzeboer verdient een deel van zijn geld met opdrachten uit de Nederlandse visserijsector.

Velzeboer steekt niet onder stoelen of banken dat hij sympathiseert met de Nederlandse vissers die moeite hebben om een fatsoenlijke prijs te krijgen voor hun schol, terwijl het volk massaal aan de goedkope panga gaat. Dat de Vietnamezen niet anders doen dan wij, namelijk handel drijven en geld proberen te verdienen, kan hij niet ontkennen. Maar toch: hij vertrouwt ze voor geen cent.

Objectief gezien is er weinig reden om de panga te wantrouwen. Bij de NVWA staat panga niet slecht aangeschreven. Het instituut controleert panga routinematig. De laatste keer dat in Nederland een partij verontreinigde panga werd onderschept en vernietigd was in 2005.

Terecht of niet, de kritiek mist zijn uitwerking niet. De export van panga naar Europa staat onder druk. Vorig jaar werd een daling genoteerd van ongeveer 20 procent. In Nederland bleef de verkoop redelijk op peil, maar de Duitse markt stortte bijna helemaal in.

Aan de andere kant van de wereld werd met schrik en ongeloof gereageerd. Panga is groot in Vietnam. De sector is goed voor 6.000 hectare aan kweekvijvers, een jaaromzet van 1,4 miljard euro en honderdduizenden banen. Na jaren van dubbele groeicijfers maakte de pangakweek ineens gedwongen pas op de plaats; talrijke bedrijven gingen failliet.

De Vietnamezen ondernamen actie. In de VS werd geprocedeerd tegen importbeperkingen op panga. Met succes, want de export naar de VS neemt weer toe. In eigen land werd een ambitieus programma opgezet om de pangasiuskweek te verduurzamen onder ASC-criteria, een wereldwijd keurmerk dat mede is opgezet door het Wereld Natuur Fonds.

Zestien kwekerijen, samen goed voor 15 procent van de productie, werken al met het keurmerk, dat eisen stelt aan de waterkwaliteit, gebruik van pesticiden en antibiotica, maar ook aan arbeidsomstandigheden: geen kinderarbeid, fatsoenlijke lonen, vakbondsrecht. Het streven is dat in 2015 de helft van de pangakwekerijen met de ASC-criteria werkt.

Vinh Hoan was een van de eerste bedrijven die de duurzaamheidscriteria overnamen voor een deel van hun productie. Ook Hung Vuong doet dat, een andere pangasiusgigant die we de volgende dag bezoeken. Het beeld is grotendeels hetzelfde: schone kweekvijvers, keurige fabriek en al even massaal. Hung Vuong heeft twaalfduizend mensen in dienst.

De vraag is of dit een reëel beeld geeft van de hele sector. Visserijlobbyist Velzeboer reageert schamper als hij van mijn bezoek aan Vietnam hoort. Vinh Hoan, zegt hij, is het plaatje dat de Vietnamezen graag van de pangasiuskweek laten zien. De ‘junglevijvers’ in het binnenland die hij bezocht, zien er heel anders uit.

Daar heeft hij natuurlijk een punt. Aan de andere kant: Vinh Hoan is wel een van de grootste exporteurs en een belangrijke leverancier van Nederlandse pangasius. Wat dat betreft zitten we dus goed. Maar hoe representatief zijn bedrijven als Vinh Hoan voor de hele sector?

Eerlijk is eerlijk: het is onmogelijk om daar in een paar dagen een afgewogen antwoord op te krijgen. Het dichtst in de buurt komt misschien wel Flavio Corsin, Aquaculture manager van The Sustainable Trade Initiative, een duurzame handelsorganisatie die al jaren in Vietnam actief is.

Natuurlijk is Vinh Hoan een modelbedrijf, zegt Corsin. En ja, er waren heus wel problemen in het verleden. Maar Corsin kent geen enkele viskweeksector die de problemen zo voortvarend heeft aangepakt als de pangakwekers. Wat Velzeboer doet, is stemmingmakerij, vindt Queensdirecteur Hoogendoorn, die al jaren samenwerkt met Vinh Hoan.

De ‘junglevijvers’, kleine pangakwekers in het binnenland, zijn de eerste die het loodje hebben gelegd tijdens de crisis. De toekomst is aan de grote exportbedrijven als Vinh Hoan en Hung Vuong met hun fabriekshallen vol fileerders. Wat ergens wel weer wrang is, want zo leidt de westerse preoccupatie met veiligheid en duurzaamheid tot de ondergang van kleine boeren in Vietnam.

Als we de schaduw van de bus weer opzoeken in Cao Lanh staat vice-directeur Lam klaar om afscheid te nemen. ‘Ik weet dat we nog niet perfect zijn, maar we doen ons best’, zegt ze vriendelijk. Boven haar hoofd wappert een spandoek: ‘Welcome to the ASC and press delegation.’

Terug in Nederland vertel ik dit verhaal aan mijn visboer. Net als alle visliefhebbers heeft hij het niet zo op panga: kraak noch smaak. Maar de kinderen zijn er dol op, zegt een vrouw die ons hoort praten. Zij zelf ook trouwens. Geen graten en lekker goedkoop.

Want zo simpel is het geheim. Panga legt de diepste drijfveren van de Nederlandse consument bloot. Die wil een vis die gemakkelijk is én goedkoop, én die niet naar vis smaakt. Dan krijg je panga, of je het leuk vindt of niet.

Pangasius begint in 2002 aan zijn opmars in Nederland. De firma Queens, een diepvrieshandel in Varsseveld, levert zakken bevroren filets aan een lokale supermarktketen. Ze worden aangeboden voor een spotprijsje: 1,95 euro voor 600 gram.

De vis is binnen de kortste keren uitverkocht en al gauw kloppen ook andere supermarkten aan. Vanaf dan gaat het snel. In 2011 wordt 5,5 miljoen kilo panga verkocht, waarmee het de meest gegeten vis is in Nederland.

Ondanks zijn populariteit heeft panga een slechte naam. Wat niet helpt is dat sjoemelende visboeren de vis nogal eens onder een andere naam – ‘tong’ of ‘Aziatische tong’ – aanbieden.

Panga is een zoetwatervis uit de familie van de meervallen. Tegenwoordig wordt panga vooral gekweekt in Vietnam in de Mekongdelta en over de hele wereld geëxporteerd. Europa en de VS zijn de grootste afzetmarkten. De vis wordt in Vietnam ingevroren en als diepvries verkocht. Het vervoer naar Europa gaat per schip.

Anders dan andere populaire kweekvis, zoals zalm, kan panga goed gedijen in een hoofdzakelijk vegetarisch dieet. In pangavoer zit slechts 8 tot 12 procent vismeel. De rest bestaat uit soja, rijstafval en tapioca. Panga is efficiënt in het omzetten van voer. Voor 1 kilo panga is maar 1,4 tot 1,8 kilo voer nodig.

Panga wordt wel spottend ‘waterkip’ genoemd, visliefhebbers vinden dat panga niet naar vis smaakt. Voor anderen is dat juist een aanbeveling, zij roemen panga om zijn ‘neutrale smaak’.

In Vietnam zelf wordt panga nauwelijks gegeten, zegt Trinh Diem Vy, eigenares van vijf restaurants en een kookschool in de populaire kustplaats Hoi An. ‘Wij hebben 3.000 kilometer kust met dagelijks verse aanvoer uit zee. Waarom zouden we dan kweekvis eten?’ Daar denken Nederlanders dus anders over.

Duurzame viskweek

Het Aquaculture Stewardship Council (ASC) logo is een keurmerk voor duurzame viskweek. Het ASC is in 2010 opgericht door het Wereld Natuur Fonds en het Initiatief voor Duurzame Handel (IDH). Twee kweekvissen hebben een duurzaamheidskeurmerk: tilapia en pangasius. Dat keurmerk moet duidelijk op de verpakking staan. Aan een keurmerk voor zalm wordt nog gewerkt. ASC is een zusje van het Marine Stewardship Coiuncil (MSC). Dat is een keurmerk voor duurzaam gevangen wilde vis.